Geen stof examen 2010 
 
Geld (1)
De Maatschappelijke Geldhoeveelheid:
Al het girale en chartale geld dat in handen is van het publiek.
 
Giraal Geld:
Een direct opeisbaar tegoed bij een geldscheppende instelling.
 
Chartaal Geld:
Munten en bankbiljetten.
 
Algemene banken kunnen geld scheppen. Dit kunnen zij omdat een direct opeisbaar tegoed niet volledig gedekt hoeft te zijn door chartaal geld.
Het scheppen van geld gaat op de volgende manier:
 
Stap 1:
Een particulier (behorende tot het publiek) stort € 500 op een rekening-courranttegoed. Op de balans van de bank wordt dit als volgt genoteerd:
 
Kas                               500 Rekening Courant         500
   
 
Door deze handeling heeft de bank nog geen geld geschapen. We spreken hier van substitutie. Het chartale geld is uit de omloop gehaald en vervangen door giraal geld. De maatschappelijke geldhoeveelheid is niet veranderd wat omvang maar wel wat samenstelling betreft.
 
Stap 2a:
De bank hanteert een dekkingspercentage van 20. Het overtollige kasgeld leent zij uit. De balans ziet er nu als volgt uit:
 
Kas                                100 Rekening Courant         500
Debiteuren                     400  
   
 
De maatschappelijke geldhoeveelheid is nu gestegen met € 400. De bank heeft hiermee geld geschapen.
Natuurlijk willen banken graag geld scheppen. De rente die betaald moet worden op het uitgeleende geld is hoog. Een direct opeisbaar tegoed levert niet of nauwelijks rente op.
 
Stap 2b:
De bank had ook geld kunnen scheppen door wederzijdse schuldaanvaarding. De bank leent het kasgeld nu niet uit maar leent uit door middel van een rekening-courantkrediet. De balans wordt dan:
 
Kas                               500 Rekening Courant      2.500
Debiteuren                 2.000  
   
 
[Dit gaat natuurlijk lekker snel. Mijn bezwaren tegen deze manier van voorstellen zijn dan ook bekend (hoop ik). Maar voor het examen voldoet het.]
De Binnenlandse Liquiditeitenmassa:
Alle primaire en secundaire liquiditeiten in handen van het publiek (M3).
 
Primaire Liquiditeiten:
De maatschappelijke geldhoeveelheid (M1).
 
Secundaire Liquiditeiten:
Kortlopende vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen, die op korte termijn zonder veel kosten en koersverlies in binnenlands geld kunnen worden omgezet (bijna geld).
Voorbeelden:
Korte termijndeposito’s
Tegoeden in vreemde valuta
Spaargelden met een looptijd korter dan twee jaar.
 
M2:
M3 minus de korte spaartegoeden.
 
Onder transformatie wordt verstaan het omzetten van ‘niet geld’ in ‘wel geld’ en andersom.
 
Kas                             1000 Rekening Courant       5000
Tegoed ECB                 500  
Debiteuren                  3500  
   
 
Een particulier wisselt $ 1000 in voor euro’s. Als we uitgaan van een koers van $ 1 = € 0,95 dan ziet de balans van de bank er als volgt uit:
 
 
Kas                                 50 Rekening Courant      5000
Tegoed ECB                 500  
Debiteuren                  3500  
Vreemde Valuta           950  
   
 
Er heeft hier transformatie plaatsgevonden. De dollars behoorden niet tot de geldhoeveelheid, de euro’s echter wel.
 
Een particulier schrijft € 500 over  van zijn rekening courant naar zijn spaartegoed.
 
Kas                                 50 Rekening Courant     4500
Tegoed ECB                 500 Spaartegoed                 500
Debiteuren                  3500  
Vreemde Valuta           950  
   
 
Ook nu heeft er transformatie plaatsgevonden. De rekening courant behoort immers wel tot de maatschappelijke geldhoeveelheid maar het spaartegoed niet.
 
 
Geld 2
 
De maatschappelijke geldhoeveelheid is al het geld waarover het publiek de beschikking heeft. Er wordt gezegd dat het publiek dit geld in kas heeft.
We onderscheiden twee soorten kassen:
  1. de actieve kas of transactiekas
  2. de inactieve kas
 
Het geld (chartaal en giraal) dat bestemd is voor het doen van betalingen noemt men de actieve kas. Er wordt gezegd dat dit geld wordt aangehouden op grond van het transactiemotief.
De hoeveelheid geld die aangehouden wordt voor het doen van betalingen is afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Hoe hoger het nationaal inkomen des te hoger de transctiekasssen.
 
De rest van het geld bevindt zich in de inactieve kassen. Twee motieven heeft men voor het aanhouden van deze kassen.
  1. het voorzorgsmotief
  2. het speculatiemotief
 
Als men geld aanhoudt voor onvoorziene gebeurtenissen spreekt men van het voorzorgsmotief. Houdt men geld aan om er later mee te beleggen dan spreekt men van het speculatiemotief.
 
De hoeveelheid geld die men aanhoudt in de inactieve kas is sterk afhankelijk van de hoogte van de rente. Bij een lage rente is het verstandig geld nog even niet te beleggen. Het geldt wordt dan in kas gehouden om het later te kunnen beleggen.
Bij een hoge rente is het onverstandig geld in kas te houden. Geld in de kas (en dus ook op een girorekening) betekent dat je rente derft. Hoe hoger de rente hoe duurder het is om geld in kas te hebben.
 
Oppotten:
Het publiek brengt geld over van de actieve naar de inactieve kas.
 
Ontpotten:
Er wordt geld overgebracht van de inactieve naar de actieve kas.
 
Omloopsnelheid van het geld:
Als er geld wordt opgepot neemt het geld in de inactieve kassen toe. De omloopsnelheid van het geld neemt dan af.
De omloopsnelheid is het aantal malen dat een geldeenheid gemiddeld in een jaar van hand tot hand gaat.
 
De geldstroom is de totale geldhoeveelheid vermenigvuldigd met de omloopsnelheid. Deze geldstroom is per definitie gelijk aan de goederenstroom. De goederenstroom is het aantal verhandelde goederen vermenigvuldigd met de prijs.
 
De verkeersvergelijking van Fisher:
MV = PT
 
Monetaire inflatie:
Een toename van de geldstroom (MV).
Monetaire inflatie kan ontstaan geldschepping of door ontpotting.
 
Monetaire deflatie:
Een afname van de geldstroom (MV).
Het ontstaat door geldvernietiging of door oppotting.
 
Monetair evenwicht:
De geldstroom blijft constant.
 
In geval van monetaire inflatie weten we uit de verkeersvergelijking van Fisher dat de goederenstroom zal stijgen. Een stijging van de goederenstroom kan ontstaan door een stijging van T en/of door een stijging van P.
In het laatste geval spreekt men van prijsinflatie. Prijsinflatie zal ontstaan als T niet meer kan stijgen omdat de productiecapaciteit is bereikt.
 
Een toename van de geldhoeveelheid kan dus leiden tot een stijging van de productie (T). Om dit te kunnen bereiken moet echter aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet de productiecapaciteit nog niet zijn bereikt. Immers is dat wel het geval dan zal een toename van M slechts prijsinflatie veroorzaken. Daarnaast moet de omloopsnelheid niet gelijktijdig dalen. Immers in dat geval wordt de geldstroom helemaal niet groter. Het extra geld dat door de monetaire autoriteiten in omloop wordt gebracht wordt dan onmiddellijk opgepot.
 
Over het algemeen kunnen we stellen dat naarmate de productiecapaciteit meer wordt benaderd, een toename van de geldhoeveelheid eerder zal leiden tot prijsinflatie.
 
De monetaristen hebben daarom als politiek de geldhoeveelheid te laten stijgen overeenkomstig de stijging van de productiecapaciteit.
Op deze manier zal prijsinflatie kunnen worden voorkomen zodat de prijzen kunnen doen wat ze behoren te doen, te weten het aangeven van relatieve schaarste. De prijzen vormen op die manier een indicatie voor de allocatie van productiefactoren. Waar men de productiefactoren het meest nodig heeft zullen de prijzen het hoogst zijn. Aldus ontstaat er een efficiënte aanwending.
 
Als door een onzichtbare hand geleid zullen de productiefactoren hun bestemming vinden. Een organisatie door niemand geleid maakt gebruik van kennis verspreid over miljoenen mensen. Er bestaat geen centraal geleid systeem dat beter gebruik weet te maken van kennis  verspreid over de hele wereld.
 
 
Geld 3
 
De waarde van het geld:
Een toename van de geldhoeveelheid kan leiden tot prijsinflatie.
Waarom is prijsinflatie nadelig?
  • Bij zeer hoge inflatie komt de ruilmiddelfunctie van het geld in gevaar. De mensen gaan over op alternatieve ruilmiddelen.
  • Voor mensen die geld hebben gespaard is het nadelig omdat de koopkracht van het gespaarde geld afneemt.
  • Mensen met een vast pensioen zien de koopkracht van hun inkomen afnemen.
  • De concurrentiepositie van een land wordt slechter. De export neemt af en daardoor de werkgelegenheid in deze sector.
 
Rente:
Spaarders zullen merken dat door de inflatie de reële rente afneemt.
Bij een nominale rente van 7% en een inflatie van 5% bedraagt de reële rente:
formule_geld_2.jpg
 
 
 
 
 De monetaristen, zo hebben we gezien, zijn zeer beducht voor een te sterke groei van de geldhoeveelheid. De economie zal volgens de monetaristen altijd tenderen naar een volledige benutting van de productiecapaciteit. Op korte termijn kan er wel sprake zijn van onderbesteding maar met een goed werkend prijsmechanisme zal er op lange termijn bestedingsevenwicht zijn. Dit betekent dat een groei van de geldhoeveelheid uiteindelijk slechts kan leiden tot prijsinflatie.
Door deze prijsinflatie zullen werknemers loonsverhoging eisen. Als men hier zelfs op vooruit gaat lopen een de loonstijgingen de stijging van de arbeidsproductiviteit overtreffen zullen arbeiders ontslagen worden.
Deze combinatie van werkloosheid en inflatie wordt stagflatie genoemd.
 
Toen eind jaren zeventig deze stagflatie optrad zag men dat als het gelijk van de monetaristen. Het gevolg was dat de Amerikaanse regering overging op een krapgeldpolitiek. De inflatie werd hierdoor beteugeld maar door de terugvallende vraag (vanwege de hoge rente) liep de werkloosheid op.
 
Het is echter maar de vraag of de inflatie van de jaren zeventig het best verklaard wordt door de stijging van de geldhoeveelheid. Een andere factor was de stijging van de olieprijs. Inflatie als gevolg van hogere productiekosten noemt men kosteninflatie.
 
Joomla templates by a4joomla