Termen Overheid

 

Allocatie: De verdeling van de productiefactoren over de verschillende aanwendingsrichtingen. De allocatie wordt bijvoorbeeld beïnvloed door het heffen van belasting. Als sigaretten zwaar belast worden zal er minder worden gerookt en zullen er dus minder productiefactoren in de sigarettenindustrie worden aangewend.

 

Allocatieprobleem: Is het probleem hoe de productiefactoren zo goed mogelijk worden benut. Het probleem is: voor wie, wat, waar, wanneer, hoeveel en door wie moet er geproduceerd worden. In de vrije markteconomie wordt dit probleem opgelost door het prijs- en marktmechanisme, en in een planeconomie door het planmechanisme. De vrije markteconomie en de planeconomie (= centraal geleide economie) zijn dus twee extreme vormen, die elk slechts één coördinatiemechanisme hanteren. In de praktijk is er altijd sprake van een mengvorm, een voorbeeld is de georiënteerde economie.

 

Economische orde: Organisatie van de economie; HOE wordt besloten, wat, hoe, waar, hoeveel, door wie en voor wie er geproduceerd wordt?

 

Vrije markteconomie: Is een extreme vorm (grondvorm) van economische orde waarbij het allocatieprobleem door middel van het vrije spel van vraag en aanbod ( het prijs- en marktmechanisme) wordt opgelost.

 

Planeconomie: Is een extreme vorm (grondvorm) van economische orde, waarbij het allocatieprobleem wordt opgelost door een centrale overheid, doormiddel van het planmechanisme. De voormalige Sovjet-Unie had van deze vorm de meeste kenmerken.

 

Georiënteerde economie:  Is een mengvorm tussen de centraal geleide economie en de vrije ruilverkeershuishouding. De consumenten en producenten zijn vrij in hun beslissingen (consumptie, productie en investeringen) binnen de door de overheid bepaalde speelruimte.

 

Budgetmechanisme: Via de omvang van de begrotingen wordt door de overheid deels invloed uitgeoefend op de allocatie van de productiefactoren.

 

Schaars: Iets is schaars als er productiefactoren voor moeten worden aangewend (opgeofferd), die voor iets anders gebruikt kunnen worden. Deze productiefactoren worden dus ontrokken aan hun alternatieve aanwending.

 

Alternatieve kosten: De opbrengst van het beste alternatief.

 

Externe effecten: Effecten die, omdat ze buiten het prijs- en marktmechanisme vallen, niet in de prijs van het eind product zijn verrekend. Men onderscheidt positieve en negatieve externe effecten. De negatieve externe effecten hebben de overhand en leiden tot de huidige omvangrijke milieuproblemen.

 

Positieve externe effecten: Zijn externe effecten die een positief effect hebben op de welvaart. Bijvoorbeeld de gezellige sfeer in een winkelcentrum door de etalages en de reclame verlichting, of de aanwezigheid van een industrieterrein bij een stad maakt het aantrekkelijker om er te wonen met het oog op werkgelegenheid. Belangrijk bij de voorbeelden is het feit, dat voor het positieve effect de producent niet betaald krijgt. De overheid kan de positieve externe effecten stimuleren middels subsidies.

 

Negatieve externe effecten: Zijn negatieve welvaartseffecten van de productie die niet in de prijs van het product tot uitdrukking komen. De overheid probeert door milieuwetgeving, heffingen, en subsidiëring van milieuvriendelijke technologie, deze negatieve effecten te bestrijden.

 

Welvaart: Is de mate waarin de behoeften bevredigd worden. In formulevorm zou men dit kunnen schrijven als middelen gedeeld door de behoeften. Dit is geen formule waarmee gerekend kan worden, omdat de behoeften niet te meten zijn. Toch ziet men met deze formule de betrekkelijkheid van het welvaartsbegrip, omdat als niet alleen de middelen toenemen maar ook de behoeften, de welvaart niet hoeft te stijgen! Deze betrekkelijkheid wordt nog duidelijker wanneer men onderscheid maakt tussen welvaart in enge zin en in ruime zin. Sommigen beweren dat het nationaal inkomen geen goede maat is voor de welvaart, omdat geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de negatieve externe effecten. Anderzijds kan men beweren dat het nationaal inkomen een slechte maat is, omdat geen rekening wordt gehouden met onbetaalde arbeid (vrijwilligerswerk, vriendendiensten, zelfklussen) en zwart werken (het officieuze circuit).

 

Welvaart in ruime zin: Hier wordt niet alleen gekeken naar de materiële productie van goederen en diensten, maar men houdt nu ook rekening met de externe effecten, zoals de milieugoederen (zowel positief als negatief).

 

Welvaart in enge zin: Hier wordt alleen gekeken naar de materiële productie van goederen en diensten, en wordt geen rekening gehouden met de (negatieve) externe effecten, zoals milieuvervuiling.

 

Collectieve sector: Is het totaal van de overheidssector (= overheid in ruime zin) en de sociale verzekeringssector. In de collectieve sector speelt het budgetmechanisme een belangrijke rol.

 

Overheid in ruime zin: Is het totaal van de Rijksoverheid (= overheid in enge zin) en de lagere overheden (gemeenten en provincies).

 

Sociale verzekeringssector: Wordt gevormd door alle instellingen die de sociale wetgeving uitvoeren.

 

Marktsector: Betreft de particuliere ondernemingen en organisaties die via de markt hun producten aanbieden. Het prijs- en marktmechanisme speelt hier een belangrijke rol.

 

Primaire sector: Is de sector waar de productiefactor natuur relatief belangrijk is, zoals landbouw, veeteelt, mijnbouw, bosbouw en visserij.

 

Secundaire sector: Betreft de industriële sector en nijverheid.

 

Tertiaire sector: Is de dienstensector waar het winststreven belangrijke is. Deze sector noemt men ook wel de sector commerciële dienstverlening.

 

Quartaire sector: Is dat deel van de dienstensector dat niet op winst gericht is. Men spreekt ook wel van non-profit sector of niet-commerciële sector.

 

Collectieve goederen: Deze goederen hebben twee eigenschappen. Ten eerste kunnen anderen niet van het gebruik worden uitgesloten. Dit betekent dat als het goed voor iemand beschikbaar is het onmiddellijk voor iedereen beschikbaar is. Denk aan de rechtsstaat. Als iemand beveiligd wordt door de rechtsstaat wordt iedereen daardoor beveiligd. Ten tweede zijn het goederen waarbij de consumptie van de een niet (tot op zekere hoogte) de consumptie van de ander vermindert. Denk hierbij aan een dijk. Als er iemand achter de dijk woont en tegen het water wordt beschermd betekent dat niet dat anderen daar niet meer kunnen wonen.

Collectieve goederen kunnen niet op de markt worden verhandeld. Iedereen zal dan wachten tot een ander het koopt.

De productie van collectieve goederen vindt plaats via het budgetmechanisme.

 

Quasi collectieve goederen: Deze goederen missen de eerste eigenschap van collectieve goederen. Anderen kunnen dus wel uitgesloten worden van het gebruik. Voorbeeld: onderwijs.

 

Merit-goederen:  Goederen waarvan de overheid vindt dat ze voor iedereen bereikbaar moeten zijn. De overheid stimuleert het gebruik o.a. door het verstrekken van subsidies. Bijv.: onderwijs, openbaar vervoer, cultuur; musea, theater.

 

Demerit-goederen: Goederen waarvan de overheid vindt dat ze slecht zijn voor de volksgezondheid of het milieu. De overheid wil het gebruik van deze goederen afremmen, o.a. door het heffen van accijns.

Bijv.: alcohol, tabak, benzine.

 

Loonmatiging: Een geringe stijging van de lonen. Dit verbetert de concurrentiepositie.

 

SER: De Sociaal Economische Raad is een adviesorgaan van de regering t.a.v. sociale en economische vraagstukken. De SER bestaat uit 33 personen; 11 leden uit de werkgeversorganisaties, 11 uit de werknemersorganisaties en 11 Kroonleden (namens de overheid).

 

CPB: Centraal Planbureau; Advisering en voorspelling op grond van economische modellen.

 

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek; Verzamelen en publiceren van statistische gegevens.

 

Belastingen: Gedwongen betaling aan de overheid waar geen direct aanwijsbare prestatie tegenover staat.

 

Directe belasting: Degene die de belasting moet afdragen is ook degene op wie de belasting drukt. Voorbeelden: inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.

 

Indirecte belasting: Degene die de belasting moet afdragen is een ander dan degene op wie de belasting drukt. Deze belasting wordt daarom ook wel kostprijsverhogende belasting genoemd. Voorbeeld: BTW en accijns.

 

Retributies: Deze behoren tot de niet-belastingopbrengsten van de overheid. Er staat nu wel en prestatie van de overheid tegenover de betaling.

Voorbeeld: paspoortleges en schoolgeld.

 

Overheidsbestedingen: Deze uitgaven van de overheid leggen beslag op productiefactoren. De overheid krijgt iets terug voor deze betaling.

De bestedingen bestaan uit: overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen.

 

Overheidsconsumptie: Betreft de uitgaven voor vlottende zaken, bijvoorbeeld de ambtenarensalarissen, verwarming en elektriciteit van de overheidsgebouwen, telefoonrekening, schrijfbehoeften, etc.

 

Overheidsinvesteringen: Betreft de aanschaf van vaste kapitaalgoederen door de overheid, zoals voor spoorlijnen, wegen, bruggen, gebouwen en dijken.

 

Overdrachtsuitgaven: Voor deze uitgaven krijgt de overheid niets terug. Het zijn bijvoorbeeld uitkeringen en subsidies.

 

Rijksbegroting: Een overzicht van de begrote inkomsten en uitgaven van de overheid.

 

Miljoenennota: samenvatting van de Rijksbegroting en een beschrijving van de verwachte economische gevolgen.

 

Collectieve lasten: Belasting + sociale premies + retributies.

 

Collectieve lastendruk: De collectieve lasten als percentage van het nationaal inkomen.

 

Deregulering: Vermindering en vereenvoudiging van wetten en regels.

 

Privatisering: Werkzaamheden die door de overheid worden verricht laten verrichten door bedrijven.

 

Decentralisatie: Werkzaamheden overhevelen van de centrale overheid naar de lagere overheid.

 

Draagkrachtbeginsel: Houdt in dat de "zwaarste lasten op de sterkste schouders rusten''. Het draagkrachtbeginsel ligt ten grondslag aan de progressie in de loon- en inkomstenbelasting. Bij een hoger inkomen betaalt men relatief meer belasting.

 

Profijtbeginsel: Houdt in dat als iemand wat meer van de overheid profiteert, men ook iets meer belasting mag betalen. Dit beginsel ligt ten grondslag aan de retributies. Voorbeelden zijn de motorrijtuigenbelasting, omroepbijdrage, paspoortleges, school- en collegegeld, reinigingsrechten, etc.

 

Progressieve belasting: De gemiddelde belastingdruk wordt hoger als het inkomen stijgt.

 

Degressieve belasting: De gemiddelde druk wordt lager als het inkomen stijgt.

 

Proportionele belasting: De gemiddelde druk blijft gelijk als het inkomen stijgt.

 

Gemiddelde belastingdruk: De te betalen belasting als percentage van het belastbaar inkomen.

 

Marginale belastingdruk: Het percentage belasting dat je betaalt over de laatste euro die je verdient.

 

Anti-cyclisch begrotingsbeleid: Door middel van de uitgaven en ontvangsten van de overheid de conjunctuurbeweging afremmen. Voorbeeld: tekort op de begroting op laten lopen in geval van en laagconjunctuur.

 

Pro-cyclisch begrotingsbeleid: Door middel van uitgaven en ontvangsten de conjunctuurbeweging versterken. Dit zal natuurlijk niet met opzet gebeuren.

 

Fictief inkomen uit vermogen: 4% van het vermogen wordt gezien als inkomen uit dat vermogen (of je dat werkelijk hebt verdiend is niet van belang). Je moet daar 30% belasting over betalen. Een deel van het vermogen is vrijgesteld.

 

Heffingskorting: Is een korting op het te betalen bedrag aan belastingen. Dit levert een even groot financieel voordeel op voor mensen met een hoog, als voor mensen met een laag inkomen. Deze heffingskorting wordt ook wel belastingkorting of "tax credit"genoemd.

 

BTW: Belasting over de toegevoegde waarde. De percentages zijn 6% en 19%.

 

Accijns: Indirecte belasting op goederen. Deze belasting is bedoeld om het gebruik van het goed af te remmen.

 

Begrotingstekort: (Uitgaven – Ontvangsten) van de overheid. 

 

Financieringstekort: Begrotingstekort – aflossing staatsschuld.

 

Financieringssaldo: Begrotingssaldo + aflossing staatsschuld

Een positief financieringssaldo is een financieringsoverschot. Een positief begrotingssaldo is een begrotingsoverschot.

 

Staatsschuldquote: De staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen.

 

Staatsschuld: De totale schuld van de overheid. Deze schuld stijgt jaarlijks met het financieringstekort.

 

Staatsobligatie: Schuldbekentenis van de Staat. De bezitter van een staatsobligatie heeft dus geld uitgeleend aan de Staat.

Stagnatie: Het nationaal product stijgt niet.

 

Stagflatie: Stagnatie in combinatie met inflatie.

 

Structuurpolitiek: Maatregelen van de overheid gericht op een verbetering van de aanbodzijde (productiezijde) van de economie. Voorbeelden: onderwijs, concurrentiepositie, infrastructuur.

 

Conjunctuurpolitiek: Maatregelen gericht op de vraagzijde van de economie.

 

Primair inkomen: Inkomen verdiend met het ter beschikking stellen van productiefactoren. Loon, pacht, interest en winst.

 

Secundair inkomen: Primair inkomen – heffingen + uitkeringen + inkomensafhankelijke subsidies.

 

Tertiair inkomen: Secundair inkomen + profijt van door overheid gesubsidieerde goederen die worden gekocht – indirecte belastingen.

Joomla templates by a4joomla