Termen Geld- en Bankwezen

 

Primaire banken: Dit zijn algemene banken. Deze banken kunnen geld scheppen.

 

Secundaire banken: Niet-geldscheppende banken. Deze banken kunnen slechts uitlenen wat ze hebben ontvangen. Hebben niet de mogelijkheid om, door middel van het uitgeven van giraal geld, geld te scheppen.

 

Geldscheppende instellingen: De ECB, DNB, de algemene banken en de overheid.

 

Publiek: Iedereen behalve de geldscheppende instellingen.

 

Disconto: Het officiële tarief dat de algemene banken ontvangen als ze overtollig geld op een rekening bij de ECB zette.

 

Refi-rente: De rente die de algemene banken moeten betalen als ze lenen bij de ECB.

 

Debiteuren: Personen waarvan men nog geld krijgt.

 

Crediteuren: Personen waar men nog geld aan moet betalen.

 

Investeren: Het kopen van kapitaalgoederen. Hiervoor moet geld worden geleend. Dat geld leen je van mensen die dat hebben belegd.

 

Beleggen: Gespaard geld waarover je rente of dividend krijgt. Je kunt het bijvoorbeeld op de bank zetten of een waardepapier kopen zoals een obligatie of een aandeel.

 

Obligatie: Is een schuldbekentenis. Als je geld uitleent aan iemand ontvang je een obligatie. Het is een lening tegen een vaste rente met een vaste looptijd. Zo kun je een 5% obligatie hebben met een looptijd van 25 jaar. Het kan natuurlijk ook met een andere rente en een andere looptijd.

 

Schatkistpapier: Door de Staat uitgegeven korte schuldbekentenissen (dus schuldbekentenissen met een korte looptijd).

 

Aandelen:  Zijn bewijzen dat men mede eigenaar is van een vennootschap. Men ontvangt als beloning geen rente maar dividend (winstuitkering). Het is risicodragend, d.w.z. dat ingeval van een faillissement de aandeelhouders helemaal aan het eind van de afwikkeling (liquidatie) nog recht hebben op het restant vermogen, hetgeen in veel gevallen nihil is.

 

Kapitaalgoederen: Goederen waarmee andere kapitaalgoederen of consumptiegoederen worden geproduceerd. Denk aan machines en gebouwen maar ook aan grondstoffen. Het zijn alle goederen die door de producenten worden gekocht. Ze behoren tot de productiefactor kapitaal. Het worden ook wel goederen van een hogere orde genoemd. Dit in tegenstelling tot consumptiegoederen. Dat zijn goederen van de eerste orde.

Rendement: De opbrengst over je belegde vermogen. Dus rente of dividend.

 

Termijndeposito’s: Geld dat je op de bank hebt gezet en dat pas na een bepaalde tijd (termijn) weer van de rekening afgehaald mag worden. De termijndeposito is in jouw bezit. De bank heeft het geld. Je vindt deze termijndeposito’s bij de passiva van de bank.

 

Valutategoeden: Vreemde valuta kunnen op een valutarekening van een bank worden gezet. De bank moet jou dan in de desbetreffende valuta uitbetalen als je je geld weer komt ophalen. Wordt gebruikt door handelaren die een bepaalde valuta veel nodig hebben.

 

Liquiditeit van een bank: De mate waarin een bank kan voldoen aan de direct opeisbare verplichtingen. Wordt bepaald door de hoeveelheid kasgeld en door het tegoed bij de centrale bank.

 

Monetair beleid: Is in het algemeen het beleid gericht op het stabiliseren van het prijspeil (anti-inflatie-beleid; stabiliseren interne waarde), en betreft maatregelen die de maatschappelijke geldhoeveelheid beïnvloeden.

 

Interne waarde: De koopkracht van de euro. Als de prijzen stijgen daalt de interne waarde van de euro. Je kunt dan minder goederen kopen voor je euro. De koopkracht van een euro is gelijk aan: 1/p.

 

Externe waarde: De waarde van de euro uitgedrukt in een andere valuta. Dit is de wisselkoers. De externe en de interne waarde staan met elkaar in een positief verband. Dit verband moet wel altijd beredeneerd worden.

 

Ruilfunctie van geld: Je kunt met geld betalen. Dit vergemakkelijkt het ruilproces.

 

Rekenfunctie van geld: Geld heeft ook een rekenfunctie, omdat het gebruik van geld het mogelijk maakt om waarden van verschillende goederen te vergelijken. Geld is dus ook een waardemeter.

 

Oppotten: Is geld "overhevelen" van de actieve kas naar de inactieve kas. Het geld wordt in reserve gehouden uit voorzorgs- of speculatiemotief. Veel leerboeken spreken over geld in een "oude kous" stoppen, omdat men wel ieder moment over het geld kan beschikken. Het wordt dus niet tegen rente op de bank vastgezet. Bij het oppotten derft men rente, d.w.z. men brengt een rente offer. Verwar oppotten en sparen niet. Als men oppot dan spaart men wel, maar sparen is niet altijd oppotten! Het opgepotte geld behoort gewoon tot de maatschappelijke geldhoeveelheid, met als gevolg dat de omloopsnelheid van het geld bij oppotting daalt.

 

Chartaal geld: munten en bankbiljetten.

 

Giraal geld: Direct opeisbaar tegoed bij een geldscheppende instelling. Een rekening-courant tegoed.

Primaire liquiditeiten: Als het chartaal en giraal geld voor zover in handen van het publiek. Dit is de maatschappelijke geldhoeveelheid. Ook wel genoemd M1.

 

Secundaire liquiditeiten: Bijna geld. Het zijn vorderingen op geldscheppende instellingen die zonder veel koersverlies snel omgezet kunnen worden in een primaire liquiditeit. Kortlopende termijndeposito’s, kortlopende spaargelden en kortlopende valutategoeden.

 

Liquiditeitenmassa: De primaire en de secundaire liquiditeiten. Ook wel genoemd M3.

Let op: M2 is niet hetzelfde als de secundaire liquiditeiten maar is de liquiditeitenmassa exclusief de kortlopende spaargelden.

 

Omloopsnelheid van het geld: Het aantal keren dat het geld van hand tot hand gaat. Het is gelijk aan PT/M. Dus het is gelijk aan de waarde van de goederenstroom gedeeld door de maatschappelijke geldhoeveelheid. Als er geld wordt opgepot daalt de omloopsnelheid.

 

Monetaire inflatie: Een toename van de geldstroom. MV stijgt. Dit kan komen door een stijging van de maatschappelijke geldhoeveelheid (M) of een stijging van de omloopsnelheid (V).

 

Prijsinflatie: Ook wel gewoon inflatie genoemd. Het is de procentuele stijging van het gemiddeld prijspeil.

 

Kosteninflatie: Prijsinflatie veroorzaakt door een stijging van de kosten van produceren.

 

Bestedingsinflatie: Prijsinflatie veroorzaakt door een stijging van de bestedingen, dus door een stijging van de effectieve vraag.

 

Voorzorgsmotief: Een motief om geld op te potten. Als men onzeker is over de toekomst houdt men geld inactief. Doet men vooral als de rente laag is. Immers je loopt rente mis.

 

Speculatiemotief: Een motief om geld op te potten. Als de rente erg laag is wacht men met het beleggen van geld tot de rente weer aantrekt.

 

Liquiditeitsquote: De liquiditeitenmassa als percentage van het nationaal inkomen.

 

Substitutie: De ene soort geld omzetten in de andere soort. Dus van chartaal naar giraal of andersom. Voorbeeld: iemand zet geld op een rekening courant bij een algemene bank. Chartaal geld wordt hier omgezet in giraal geld. De maatschappelijke geldhoeveelheid verandert alleen van samenstelling niet van omvang.

 

Transformatie: Niet-geld wordt omgezet in geld of andersom. Voorbeeld: Iemand boekt geld van zijn spaarrekening naar zijn rekening-courant. Een secundaire liquiditeit wordt omzet in een primaire liquiditeit. De maatschappelijke geldhoeveelheid wordt groter.

 

Wederzijdse schuldaanvaarding: Kredietverlening door een algemene bank in de vorm van giraal geld (rekening-courant). Bank heeft schuld aan cliënt (rekening-courant), cliënt heeft schuld aan bank (debiteur).

 

Liquiditeitspercentage: Kas + Tegoed bij de centrale bank als percentage van de direct opeisbare tegoeden (rekening-courant). De centrale bank kan een minimumpercentage voorschrijven.

 

Vermogensmarkt: De geldmarkt en de kapitaalmarkt samen.

 

Geldmarkt: De markt voor kredieten met een looptijd korter dan twee jaar.

 

Kredietmarkt: De markt voor kredieten met een looptijd langer dan twee jaar.

 

Krappe geldmarkt: De algemene banken zitten krap bij kas. Dit betekent dat ze weinig kunnen uitlenen. Hun schuld bij de centrale bank is groot. Het heeft niets te maken met de maatschappelijke geldhoeveelheid. Deze laatste kan juist heel erg groot zijn. De banken hebben dan heel veel uitgeleend en zitten zelf krap bij kas. De rente zal stijgen.

 

Ruime geldmarkt: De algemene banken kunnen nog veel uitlenen. De rente zal dalen.

 

Door de centrale bank in omloop gebracht chartaal geld: Dit is niet hetzelfde als het chartale geld in de maatschappelijke geldhoeveelheid. Immers de banken kunnen nog geld in kas hebben. Dit laatste is wel in omloop gebracht door de centrale bank maar het hoort niet tot de maatschappelijke geldhoeveelheid.

 

Kasreserveregeling:  (geldmarktkasreserve); Een verplicht door de banken te storten bedrag bij de centrale bank. De geldmarkt wordt hierdoor krapper. Banken kunnen minder geld uitlenen.

 

Openmarktpolitiek: Aan- of verkoop van waardepapieren (bankcertificaten) of vreemde valuta door de centrale bank bij de algemene banken. Dit is bedoeld om de liquiditeit van de banken te verhogen (bij aankoop van waardepapieren of vreemde valuta) of te verlagen (bij verkoop van waardepapieren of vreemde valuta).

 

Bedrijfseconomisch toezicht centrale bank: Controle door de centrale bank uitgeoefend om te kijken of de particuliere banken zich wel hebben gehouden aan de liquiditeits- en solvabiliteitsvoorschriften. Deze bedrijfseconomische controle heeft niet tot doel om ongewenste geldschepping tegen te gaan, maar om faillissementen bij banken te voorkomen. Immers het failliet gaan van banken zou het vertrouwen in het geldstelsel kunnen ondermijnen.

 

Liquiditeit: De mate waarin kortlopende schulden kunnen worden betaald.

 

Solvabiliteit: De mate waarin een bedrijf in staat is op lange termijn haar schulden te voldoen.

Structuurtoezicht: Bedoeld om gezonde concurrentie te behouden.

 

Europese Raad: Vergadering van Europese regeringsleiders. Vergaderen over de hoofdlijnen van het beleid.

 

Raad van Ministers van de EU: De ministers van de lidstaten werken de hoofdlijnen van de Europese Raad uit.

 

De Europese Commissie: Dagelijkse bestuur; voorbereiding en uitvoering

van de besluiten van de EU. De commissieleden worden benoemd door de lidstaten.

 

Het Europees Parlement: Is het democratisch controle orgaan. Het oefent controle uit op de Europese Commissie en de Raad van Ministers. Het Europees Parlement wordt ook wel de Assemblee genoemd. Wordt direct door het volk gekozen voor de duur van vijf jaar.

 

Het Europese Hof van Justitie: Toetsing (van de naleving) van de Europese wetgeving.

Europese wetgeving gaat boven het nationale recht; indien een burger of bedrijf vindt dat het recht in zijn land strijdig is met het Europees recht kan hij een beroep doen op het Hof van Justitie.

 

Mededingingsbeleid EU: Tegengaan van ongewenste bedrijfsconcentraties, gelijktrekken van voorschriften en normen ten aanzien van techniek, milieu en gezondheid, harmonisatie van belastingen (BTW).

Joomla templates by a4joomla