Termen arbeidsmarkt

 

Beroepsgeschikte bevolking: Alle mensen tussen 15 en 65 jaar.

 

Beroepsbevolking: Die mensen in de beroepsgeschikte bevolking die willen en kunnen werken.

 

Participatiegraad: De beroepsbevolking als percentage van de beroepsgeschikte bevolking.

 

Werklozen: Het niet werkende deel van de beroepsbevolking.

 

Werkloosheidspercentage: De werklozen als percentage van de beroepsbevolking.

 

Bezettingsgraad: Het percentage van de productiecapaciteit dat wordt benut.

 

Loonkosten: Het bruto loon plus het werkgeversaandeel van de sociale premies en de pensioenpremie.

 

Wig: Het verschil tussen loonkosten en netto loon.

 

Bruto loon: Het netto loon plus de loonbelasting en het werknemersaandeel in de sociale premies en de pensioen premie

 

Sociale premies: premie die betaald moet worden voor de sociale verzekeringen.

 

Sociale verzekeringen: Worden onderverdeeld in werknemersverzekeringen en volks verzekeringen; de belangrijkste werknemersverzekeringen zijn: WAO, NWW, ZFW er zijn vijf volksverzekeringen: AOW, AAW, AKW en de AWBZ. De sociale verzekeringen worden betaald uit premies.

 

Sociale voorzieningen: Worden niet uit premie-opbrengsten betaald maar uit de algemene middelen (belastingen). Een voorbeeld is de bijstand.

 

Werknemersverzekeringen: Zijn sociale verzekeringen, die uitsluitend bestemd zijn voor mensen in loondienst. Tot de werknemersverzekeringen worden gerekend: de ZW, de WAO, de ZFW en de WW.

 

Volksverzekeringen: Zijn sociale verzekeringen die voor iedereen gelden. Dit in tegenstelling tot de werknemersverzekeringen. De volksverzekeringen beginnen allemaal met een A, zoals de AAW, AWBZ, AOW, AWW, en de AKW.

 

Arbeidsproductiviteit: De gemiddelde productie per werknemer. Dit is gelijk aan de productie gedeeld door de werkende beroepsbevolking.

 

Bedrijfstijd: De tijd gedurende welke in een bedrijf wordt geproduceerd.

Arbeidstijd: De tijd gedurende welke een arbeider werkt.

 

Arbeidsmobiliteit: De mate waarin mensen bereid zijn te reizen of te willen verhuizen voor een andere baan.

 

Arbeidsjaar: De arbeid die één persoon met een volledige baan (38 uur/week) gedurende een jaar verricht. De werkgelegenheid kan gemeten worden in arbeidsjaren of in personen.

 

p/a-ratio: Het gemiddeld aantal personen dat een arbeidsjaar vervult. Als de werkgelegenheid in personen bijvoorbeeld 3 mln bedraagt en de werkgelegenheid in arbeidsjaren 2 mln, dan is de p/a-ratio gelijk aan 3/2. Een arbeider werkt dan gemiddeld 2/3 van een week.

 

Flexibele arbeidscontracten: Arbeidscontracten die niet voor onbepaalde tijd worden afgesloten.

 

Conjunctuurwerkloosheid: Werkloosheid die ontstaat door gebrek aan effectieve vraag.

 

Structuurwerkloosheid: Heeft zijn oorzaak bij de aanbodzijde van de economie. De oorzaken kunnen heel verschillend van aard zijn, maar hebben allemaal te maken met de productiecapaciteit. Een paar voorbeelden zijn: concurrentie van de lage- lonen-landen, hoge loonkosten, diepte investeringen, verdwijnen van (delen) van bedrijfstakken zoals de sluiting van de kolenmijnen, verdwijnen van de visserij in de binnenwateren etc.. Ook wordt een hoge arbeidsinkomens- quote (AIQ) vaak in verband gebracht met het ontstaan van structurele werkloosheid. Naast frictiewerkloosheid kan structurele werkloosheid onderscheiden worden in kwantitatieve en in kwalitatieve structurele werkloosheid.

 

Kwantitatieve structuurwerkloosheid: Tekort aan arbeidsplaatsen door gebrek aan kapitaal. Voorbeeld: er is wel vraag naar leraren maar er zijn te weinig scholen waar ze les kunnen geven.

 

Kwalitatieve structuurwerkloosheid: Is de werkloosheid die veroorzaakt wordt doordat het aanbod van arbeid niet over de vereiste kwaliteiten beschikt. Men beschikt niet over de benodigde opleiding of ervaring om de vacature te vervullen. Voorbeeld: er is wel vraag naar lessen en er zijn wel schoolgebouwen waar deze lessen gegeven zouden kunnen worden maar de leraren die werkloos zijn hebben niet de juiste opleiding.

 

Frictiewerkloosheid: Ontstaat omdat er tijd verstrijkt tussen het werkloos worden en het vinden van de reeds aanwezige vacature. Deze werkloosheid kan verminderd worden door een betere informatievoorziening en kortere sollicitatieprocedures.

 

Seizoenswerkloosheid: Werkloosheid die veroorzaakt wordt door het wegvallen van de productie in bepaalde jaargetijden.

 

Conjuncturele maatregelen: Alle maatregelen die de vraagzijde van de economie beïnvloeden. Voorbeelden: belastingverlaging, overheidsuitgaven verhogen, rente verlagen etc.

 

Structurele maatregelen: Alle maatregelen die de aanbodzijde van de economie betreffen; bijv. arbeiders vervangen door machines, hierdoor wordt het productieproces beïnvloed.

 

Verborgen werkloosheid: Dit betreft alle mensen die werkloos zijn maar niet als zodanig geregistreerd staan. Voorbeeld: een student die blijft doorstuderen omdat hij toch geen baan kan vinden.

 

Verborgen werkgelegenheid: Arbeid in het informele circuit. Niet geregistreerde werkgelegenheid.

 

Aanmoedigingseffect (aanzuigeffect): Dit treedt op bij krapte op de arbeidsmarkt. Mensen zien kansen en bieden zich daarom aan.

 

Ontmoedigingseffect: Als er veel werkloosheid heerst laten mensen zich niet meer registreren als werkzoekende omdat ze weten dat ze toch geen baan krijgen.

 

Aanvullingseffect: Treedt op als er in het gezin mensen werkloos worden. Anderen in het gezin bieden zich dan aan op de arbeidsmarkt om de daling van het gezinsinkomen op te vangen.

 

Krappe arbeidsmarkt (gespannen arbeidsmarkt): Er wordt meer arbeid (lees arbeiders) gevraagd dan aangeboden. De lonen zullen stijgen.

 

Ruime arbeidsmarkt: Er wordt meer arbeid aangeboden dan gevraagd. Er is werkloosheid.

 

Omscholing: Dient te gebeuren als iemand kwalitatief structureel werkloos is.

 

Bijscholing: Bestaande kennis weer op het juiste niveau brengen.

 

Loonmatiging: Loonstijging beperken.

 

Innovatie: De ontwikkeling en de succesvolle invoering van nieuwe of verbeterde goederen en diensten, productie- of distributieprocessen.

 

CAO: Collectieve Arbeidsovereenkomst; afspraken over primaire arbeidsvoorwaarden(loon en arbeidstijd) en secundaire arbeidsvoorwaarden (vakantie- ­en pensioenregelingen) tussen werknemersbonden en werkgeversbonden.

 

Algemeen verbindend verklaren van CAO: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, als hij een afgesloten CAO van belang vindt voor de hele bedrijfstak, deze CAO algemeen bindend verklaren voor de hele bedrijfstak (ook voor de niet-georganiseerde werknemers).

 

Initiële loonstijging: Een verhoging van het reële loon die geldt voor een hele groep werknemers.

 

Incidentele loonstijging: Een verhoging van het reële loon die voor een individu geldt. Deze looonstijging staat niet in een CAO.

 

Minimumloon: Het brutoloon per maand dat een werknemer ouder dan 23 jaar minimaal moet verdienen als deze voltijd werkt. Als je minder dan voltijd werkt heb je recht op een evenredig deel. Voor werknemers jonger dan 23 jaar geldt het minimum jeugdloon.

 

Loonquote: Het loon dat in een land is uitbetaald als percentage van het nationaal inkomen.

 

AIQ: Arbeidsinkomensquote; Het loon verdiend in bedrijven plus het toegerekend loon zelfstandigen als percentage van het inkomen dat is verdiend in bedrijven. Weggelaten is dus het loon dat is verdiend bij de overheid. Er is aan toegevoegd het arbeidsinkomen van zelfstandigen. Dit is het deel van de winst van zelfstandigen dat ze verdiend hebben door arbeid te verrichten.

 

Toegerekend Loon Zelfstandigen: Het inkomen dat een zelfstandige had kunnen verdienen als hij de arbeid die hij in z’n eigen bedrijf heeft verricht in loondienst had verricht. Voorbeeld: iemand heeft een eigen winkel waarin hij zestig uur per week werkt. Als hij bij AH was gaan werken had hij in een jaar € 35.000 kunnen verdienen. Van de winst die hij met z’n winkel heeft gemaakt moet € 35.000 gezien worden als arbeidsinkomen.

 

Flexwerk: Arbeid zonder een vaste aanstelling, vaste werktijden en een vast salaris.

Joomla templates by a4joomla