Inleiding:

Hieronder vind je een aantal vraagstukken die een wat uitgebreidere redenering vereisen. Een goede oefening voor het eindexamen.

Uiteraard kun je voor op- of aanmerkingen weer mailen met: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

 

Redeneringen:

 

  1. Waarom bestaat er een positief verband tussen de interne en de externe waarde van een munt en andersom?

 

Positief verband tussen interne en externe waarde:

Stel de interne waarde van een munt stijgt. Dit betekent dat de binnenlandse prijzen zijn gedaald. Immers de interne waarde van een munt is de koopkracht van de munt en die is gelijk aan 1/p. Als de binnenlandse prijzen dalen wordt dit land aantrekkelijker voor het buitenland. De export zal stijgen. Dit betekent dat de vraag naar deze munt op de valutamarkt stijgt. Hierdoor zal de koers van de munt stijgen (= stijging externe waarde).

 

Positief verband tussen de externe en de interne waarde:

Stel de externe waarde stijgt (= de koers stijgt).

  1. Dit betekent dat dit land duurder wordt voor het buitenland. Dit betekent dat de export afneemt. Dus minder vraag naar binnenlandse producten. Dit zal tot gevolg hebben dat de binnenlandse prijzen minder sterk stijgen of dalen. Dit is een stijging van de interne waarde van de munt.
  2. Dit betekent dat de importen goedkoper worden. Hierdoor worden grondstoffen e.d. goedkoper. De binnenlandse prijzen kunnen nu dalen. De interne waarde stijgt.

 

  1. Waarom wordt een stimuleringsmaatregel van de overheid voor een deel terugverdiend?

 

Het terugverdienen van een stimuleringsmaatregel wordt het inverdieneffect genoemd. Dit inverdieneffect bestaat uit het bedrag dat door de overheid wordt ontvangen vanwege het feit dat er een stimuleringsmaatregel wordt getroffen. Het moet natuurlijk wel automatisch gebeuren.

 

Stel dat de overheidsuitgaven met een bepaald bedrag stijgen om de economie te stimuleren. Dit zal leiden tot een hogere effectieve vraag. Hierdoor zal de productie stijgen (Keynesiaanse theorie). Dit betekent dat het nationaal inkomen stijgt (immers: Y = NNP). Hierdoor zullen de belastingen toenemen (immers de belastingen zijn voor een deel afhankelijk van de hoogte van het inkomen).

 

  1. Hoe kan een verhoging van de rente uiteindelijk leiden tot nog een extra verhoging van de rente?

 

Een hogere rente zal leiden tot lagere bestedingen. Lagere bestedingen zullen leiden tot een lager nationaal inkomen (EV = Y). een lager nationaal inkomen leidt tot lagere belastingopbrengsten. Als de uitgaven van de overheid dan gelijk blijven zal het tekort oplopen. Dit betekent dat de overheid meer zal moeten lenen op de kapitaalmarkt. Een grotere vraag op de kapitaalmarkt betekent een stijging van de rente.

 

 

  1. Waarom zal een ondernemer op korte termijn doorgaan met produceren ondanks het feit dat hij verlies lijdt?

 

Een ondernemer kan op korte termijn de productiefactor kapitaal niet veranderen. Dit betekent dat de kosten verbonden aan het kapitaal verzonken kosten zijn. Wat hij ook besluit te doen (wel of niet produceren) deze kosten zijn niet meer te vermijden. Het enige wat voor hem nog van belang is is de vraag of de prijs die hij krijgt voor het product hoger is dan de gemiddelde variabele kosten (GVK). Als dat het geval is is het verstandig om te blijven produceren. Immers hij verdient op de producten die hij maakt. Dit betekent dat het verlies minder is dan de constante kosten. Produceren is dus beter dan niet produceren. Want als hij niet produceert heeft hij een verlies gelijk aan de constante kosten.

Dus ook al ligt de prijs onder de gemiddelde totale kosten (GTK), dus ook al maak je verlies, zolang de prijs boven de gemiddelde variabele kosten (GVK) ligt is het verstandig te blijven produceren.

Het shut down point ligt daarom op het minimumpunt van de GVK.

 

  1. Waarom is de MK-curve van de individuele producent onder volkomen concurrentie de aanbodcurve?

 

 

Een aanbodcurve geeft  het verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid. De individuele producent zorgt steeds voor gelijkheid tussen marginale opbrengst en marginale kosten. Onder volkomen concurrentie is de prijs gelijk aan de marginale opbrengst. De producent zal dus steeds zorgen voor een gelijkheid van prijs en marginale kosten. Dit betekent dat hij die hoeveelheid zal kiezen waarbij de prijs gelijk is aan de marginale kosten. Dit geldt voor iedere willekeurige prijs. Dus de MK-curve is de aanbodcurve.

Niet de hele MK-curve kan echter gezien worden als aanbodcurve. Het gedeelte dat onder de GVK-curve ligt hoort er niet bij. Immers als de prijs onder de GVK komt zal de producent niets meer aanbieden.

Voor een grafische toelichting klik hier.

 

  1. Waarom zullen de monetaire autoriteiten in geval van vaste wisselkoersen bij aanhoudende tekorten overgaan tot devaluatie van de munt?

 

Bij een systeem van vaste wisselkoersen zullen de monetaire autoriteiten bij een tekort op de betalingsbalans deviezen kwijtraken. Immers de vraag naar vreemde valuta zal groter zijn dan het aanbod van vreemde valuta. Anders gezegd: de eigen valuta wordt veel aangeboden maar weinig gevraagd op de valutamarkt. Om te voorkomen dat de koers van de eigen valuta zal dalen moeten de monetaire autoriteiten de eigen valuta opkopen met vreemde valuta. Dit betekent een afname van deviezen.

Om te voorkomen dat de deviezenvoorraad volledig gebruikt moet worden voor het verrichten van steunaankopen kan men de munt devalueren. De spilkoers wordt nu verlaagd. De wisselkoers zal hierdoor dalen. Als de koers genoeg kan dalen zal het tekort op de betalingsbalans verdwijnen. Immers bij deze lagere koers ontstaat er meer vraag naar de eigen valuta.

 

  1. Waarom heeft het opkopen door de centrale bank van obligaties een stimulerend effect op de economie?

 

Als de centrale bank obligaties koopt van de algemene banken (= openmarktpolitiek) beschikken de banken door deze aankoop over meer kasgeld. Als de banken dit vervolgens gebruiken om meer kredieten te verstrekken komt er een groter aanbod van krediet en zal daardoor de rente dalen. Deze lagere rente zal zorgen voor een toename van de consumptie (mensen lenen makkelijker geld voor bijvoorbeeld een nieuwe auto) en de investeringen. Dit betekent een toename van de effectieve vraag hetgeen zal leiden tot en toename van het nationaal inkomen (immers: EV = Y).

 

  1. Waarom neemt de welvaart in ruime zin niet toe maar de welvaart in enge zin wel als werk dat eerst in de informele sector werd gedaan nu in de formele sector wordt gedaan?

 

De welvaart in enge zin wordt bepaald door de hoogte van het BBP. Werk dat in de informele sector wordt verricht wordt niet gerekend tot het BBP omdat de informele sector bestaat uit ongeregistreerd werk. Dit betekent dat als dit werk nu in de formele sector wordt verricht het wel wordt geregistreerd en het BBP dus wordt verhoogd.

De welvaart in ruime zin wordt bepaald door de mate waarin behoeften worden bevredigd. Het werk dat wordt verricht voorziet in een behoefte. Het maakt voor de bevrediging van die behoeften niet uit of dit werk wel of niet wordt geregistreerd. De welvaart in ruime zin wordt dus niet beïnvloed door de registratie van het werk.

 

  1. Waarom is stilte rond een vliegveld een schaars goed?

 

Een goed is schaars als er productiefactoren die ook voor iets anders gebruikt hadden kunnen worden opgeofferd moeten worden om het goed te verkrijgen.

Stilte rond een vliegveld kan bijvoorbeeld verkregen worden door de huizen in de buurt van het vliegveld te isoleren.

 

  1. Waarom is geluidshinder rond een vliegveld een negatief extern effect?

 

Externe effecten zijn effecten van de productie van een goed die niet tot uitdrukking komen in de prijs. Deze effecten zijn negatief als ze de welvaart in ruime zin verminderen.

Vliegtuiglawaai vermindert de welvaart in ruime zin. Het is dus een negatief effect van de productie van vervoer door de lucht. Het is extern omdat deze negatieve effecten niet ervaren worden door degene die deze productie verzorgt. Het zijn de mensen op de grond die geconfronteerd worden met de overlast. De producent heeft hier zelf geen last van en rekent deze overlast dus niet tot de kostprijs van het product. Dit betekent dat deze kosten dus ook niet in de prijs van het product zijn opgenomen. Een vliegreis is dus goedkoper dan het op grond van de kosten die het met zich meebrengt zou moeten zijn.

 

  1. Hoe kan de overheid m.b.v. een accijns het probleem dat wordt veroorzaakt door negatieve externe effecten oplossen?

 

Als een producent negatieve externe effecten bewerkstelligt produceert hij teveel voor een te lage prijs. Een manier om dit te voorkomen is door de productie van het goed te belasten met een accijns. Hierdoor wordt de kostprijs van het product hoger. De producent zal nu een hogere prijs vragen en minder produceren. De prijs van het product stemt nu meer overeen met de maatschappelijke kosten van het product.

 

  1. Waarom is internationale handel welvaartsverhogend?

 

Twee landen zullen met elkaar handelen als het voor beide landen voordelig is dat te doen. Het is voor beide landen voordelig als er comparatieve kostenverschillen zijn. Dit betekent dat het ene land product X relatief goedkoper kan produceren en het andere land product Y. Onder relatief goedkoper verstaan we goedkoper uitgedrukt in eenheden van een ander product.

Voorbeeld: stel dat in land A voor de productie van X, 1/2Y moet worden opgeofferd. In land B moet echter 1Y opgeofferd worden om X te maken. We zeggen dan dat land A een comparatief voordeel heeft in het produceren van X (immers X kost in land A 1/2Y terwijl het in land B 1Y kost). Maar tegelijkertijd heeft land B een comparatief voordeel in het produceren van Y (immer Y kost in land B 1X terwijl het in land A 2X kost).

Als land A zich nu toelegt op de productie van X en land B zich toelegt op de productie van Y kunnen ze beide winst maken als er een internationale ruilverhouding ontstaat van bijvoorbeeld: X = 3/4Y.

Immers land A krijgt nu 3/4Y voor iedere X die het verkoopt terwijl ze daar vroeger 1/2Y voor kreeg. Land B krijgt voor iedere Y nu 4/3X terwijl het daar vroeger 1X voor kreeg.

Je kunt het ook iets anders benaderen. Als land A 1/2Y opgeeft kan ze 1X maken. Vervolgens kan ze 1X verkopen in land B voor 3/4Y. Land A kan dus 1/2Y omzetten in 3/4Y door internationale handel.

Land B kan als ze 1X opgeeft 1Y maken. Als ze Y verkoopt in land A krijgt ze daarvoor 4/3X. Land B kan dus door internationale handel 1X omzetten in 4/3X.

 

  1. Waarom leidt de uitgifte van bankbiljetten door de centrale bank tot een verkrapping van de geldmarkt in enge zin?

 

De geldmarkt in enge zin verkrapt als de liquiditeitspositie van de banken slechter wordt. Dit gebeurt als hun schuld bij de centrale bank toeneemt. Als de centrale bank bankbiljetten heeft uitgegeven hebben de banken deze biljetten opgekocht door hun schuld bij de centrale bank op te laten lopen. Aangezien de banken de bankbiljetten die ze hebben opgekocht van de centrale bank ook meteen weer hebben uitgeleend kunnen we stellen dat de geldmarkt is verkrapt. Immers de schuld van de banken aan de centrale bank is gegroeid. Het zal dus voor banken in de toekomst moeilijker worden nog geld te lenen bij de centrale bank. De banken kunnen dus ook moeilijker geld uitlenen. De geldmarkt in enge zin is verkrapt.

 

  1. Wat is het effect van gebonden ontwikkelingshulp op de betalingsbalans van het land dat deze ontwikkelingshulp geeft?

 

Gebonden hulp wil zeggen dat het land dat het ontwikkelingsgeld ontvangt dat moet besteden bij het land dat de ontwikkelinghulp heeft verstrekt. Het verstekken van ontwikkelingsgeld komt op de inkomensrekening aan de uitgavenkant. Als het ontwikkelingsland het geld dan later gaat besteden komt dit bij het verstrekkende land op de goederen- of dienstenrekening aan de ontvangstenkant.

Joomla templates by a4joomla